Judo

– Geschiedenis

Jigoro Kano had bij het ontwerpen van de sport, die ontleend is aan oudere verdedigingskunsten als Jiu-jitsu, ook nadrukkelijk een training van de geest voor ogen. Zijn filosofie wordt gekenmerkt door twee begrippen:

– Seiryoku Zenyo (Maximale effectiviteit met minimale inzet): wat een persoon doet, moet met optimale inzet van geestelijke en lichamelijke energie gebeuren. In het judo leert men de kracht van de tegenstander te gebruiken om hem ten val te brengen. In het leven is dit het principe van de juiste dingen doen op het juiste moment.

– Jita Kyoei (Wederzijds profijt en welbevinden): de spelers dienen respect te hebben voor zichzelf en voor anderen. Bij het beoefenen van het judo leren ze samen te werken om zich de vaardigheden eigen te maken. Zonder tegenstander om mee te judoën kan men de sport immers niet leren; men werpt zelf en wordt op zijn beurt geworpen. Deze opvatting van samenwerkend leren is ook in andere gebieden van het leven geldig.

Traditie

Judoka’s dragen een witte of blauwe katoenen broek (zubon) en een jas (kimono) die door een band (obi) bijeen wordt gehouden. Het geheel noemt men een judogi. De meisjes dragen een wit T-shirt onder de kimono. Judolessen beginnen in geknielde houding waarbij de leraar tegenover de rij leerlingen zit en ze op het commando rei (groeten) ceremonieel naar elkaar buigen om wederzijds respect uit te drukken. De judomat heet tatami.

– Opsomming van judotechnieken

Een hoofdindeling van de judopraktijk maakt onderscheid in

  • tachi-waza (staande technieken)
  • ne-waza (liggende technieken, grondgevecht)

Daarnaast dient de judoka goed de techniek van het ukemi-waza (valbreken) te beheersen.

De diverse gevechtstechnieken van judo worden verdeeld in:

  • nage-no-waza (werptechniek, worpen)
  • katame-waza (insluittechniek)
  • atemi-waza (aanvalstechniek op het lichaam)

– Nage-waza

De verschillende worpen kunnen ingedeeld worden als:

  • ashi-waza (beenworpen)
  • kata-waza (schouderworpen)
  • goshi-waza (heupworpen)
  • te-waza (armworpen, eigenlijk handtechnieken)
  • sutemi-waza (offerworpen)

– Katame-waza

De verschillende insluitingstechnieken worden onderverdeeld in:

  • osae-komi-waza (houdgrepen)
  • kansetsu-waza (armklemmen)
  • shime-waza (verwurgingen)

De technieken zijn erop gericht een tegenstander buiten gevecht te stellen zonder hem te verwonden. Slaan, stoten en schoppen zijn in de competitie verboden, maar deze technieken worden wel aangeleerd bij de hogere graden, om de ontstaansgeschiedenis van judo beter te begrijpen maar in het begin zijn ze te gevaarlijk voor de jonge judoka’s.